Terug
Bennie Oude Oosterik als Bets Pikstrik.jpg
Uitgaan & Cultuur

Veertig jaar op het podium, duizendmaal applaus

LANGEVEEN - In de aanloop naar carnaval staan er in Noordoost-Twente de nodige gala’s en zittingen op het programma. Ondanks dat de Twentse taal minder wordt gesproken dan vroeger, zijn deze ongekend populair. Het hoogtepunt voor velen zijn dan ook de buuts. Maar wie zijn nou deze buutreedners die vanuit een buutton de lachspieren van een hele zaal trainen? Wij gingen op bezoek bij een van de bekendste buutreedners uit de regio: Bennie Oude Oosterik (62) uit Langeveen.

Guido Tijman |

Wanneer we op de boerderij van Oude Oosterik plaatsnemen aan de keukentafel, valt het oog al snel op een bronzen beeld dat een prominente plek inneemt. Het is de prijs die Oude Oosterik ontving nadat hij in 2022 het Twents Buutfestival in Oldenzaal won. Een hoogtepunt in de veertig(!) jaar dat hij in het conferenciersvak zit. 

Dieks uut de Wiek, zoon van Dieka  oet ‘t Langven

Toch heeft Oude Oosterik het naar eigen zeggen nooit geambieerd. “Nee, ik heb het nooit geambieerd, maar je hebt het of je hebt het niet. Ma stond vroeger ook als buutreedner op de planken. Zij was bekend als Dieka oet ’t Langven. In de jaren zeventig had ze haar knipmuts nog op. Toen had je veel meer buuts, ook bij de bruiloften. Voor mij is het ooit begonnen via KPJ Langeveen met toneelstukken en de creatieve dagen. Dat ging goed en zo rol je steeds weer ergens in. In 1986 begon ik als buutreedner. Door de jaren heen heb ik verschillende typetjes gespeeld waaronder Dieks uut de Wiek, Jan Pottekieker en de laatste vijftien jaar Bets Pikstrik.” 

In de kerkdienst een ander repertoire dan bij de carnavalsvereniging

In zijn veertigjarige carrière kwam Oude Oosterik volgens eigen berekening tot meer dan duizend optredens op de bühne – altijd mét applaus. De optredens bleven dan ook zeker niet beperkt tot de carnavalsperiode. “Mijn speelgebied was Overijssel, Drenthe en Gelderland en ik speelde het hele jaar door.  Dat leverde wel eens grappige situaties op. Bijvoorbeeld bij het woord ‘telder’ werd ik nogal eens raar aangekeken. We zitten hier kort aan de grens en daarom zitten er hier wat Duitse woorden in het dialect. Ik was ook een keer bij een damesvereniging waarbij de pastoor vooraan zat. Die dames keken telkens eerst naar de pastoor en als hij lachte, dan lachten ze zelf ook. Op de Biblebelt heb ik ook optredens gehad, daar liggen je woorden vaak onder een vergrootglas. Ik was een keer in een gehucht waar ik gevraagd was om bij een kerkdienst op te treden.  Na de lezingen en het zingen van psalmen was ik aan de beurt. Iedereen zat met een bijbel voor zich op de bankjes. Dan moet je wel even een ander repertoire doen dan bij de carnavalsverenigingen”, lacht Oude Oosterik.

Gezonde spanning

De zenuwen kregen nooit de overhand. “Het is altijd gezonde spanning geweest, en dat is ook nodig. Achter de schermen is het gekker als voor het doek zeg ik altijd. Dan loop je te ijsberen en moet je jezelf opladen met wat je vertellen wilt. Het belangrijkste is dat het geluid goed in orde is en er niet te veel staplaatsen zijn, anders wordt het publiek rumoerig.  Dat is gevaarlijk, want een buut duurt 15 tot 20 minuten. Als ze dan in het begin niet luisteren zitten ze niet in het verhaal en moet je met grappen van de hak op de tak gaan of de buut zelfs inkorten. Het mooiste is met alleen zitplaatsen, dan is het publiek een aandachtige luisteraar. Bij optredens in het bejaardenhuis kreeg ik het soms wel benauwd als de kachel op 26 graden stond. Optreden voor een lokale gehandicaptenvereniging was ook altijd dankbaar. Zij hadden een keer een vakantieweek in Doorn. Voor elke avond moest er amusement geregeld worden.  Het was twee uur rijden, maar ik ben er wel heen geweest en heb een mooie avond gehad. Op de eerste rij lagen ze allemaal in bed, dat was heel bijzonder.”

Droevige thuisomstandigheden, maar ’s avonds weer ‘de nar’ uithangen

Met zoveel optredens is er niet altijd reden tot lachen. Oude Oosterik vertelt hoe hij zelf soms ook de knop snel moest omzetten. “Pa is 25 jaar geleden overleden aan dementie. Ma is 97 geworden, maar was de laatste jaren ziekelijk. Naast het runnen van de boerderij, had ik daar als mantelzorger mijn handen vol aan. Soms waren de thuisomstandigheden overdag droevig, maar moest ik ’s avonds weer ‘de nar’ uithangen als ik geboekt was. Tien jaar geleden had ik een keer een condoleance van iemand die veel te jong overleden was, maar een uur later moet je grappig doen op een conference. Dan moet de knop heel snel omgezet worden.” 

‘Wat dooj d’r toch wier hen’

Door chronische reuma werd Oude Oosterik zelf ook gedwongen om het de laatste jaren minder te maken. “Enkele jaren geleden heb ik al afscheid genomen van het melkvee, de sportvereniging en hobby’s. Het gaat me ook steeds meer tegenstaan om bij gladde of mistige weersomstandigheden de deur uit te moeten, je ziet toch minder op mijn leeftijd. Laatst moest ik bijvoorbeeld naar Beltrum en dan hoop je dat voor de tijd al dat er maar geen mist komt. Ik heb mezelf al diverse keren afgevraagd ‘hah, wat dooj d’r toch wier hen!’. Ik maak nu geen nieuw materiaal meer en treedt nog selectief op voor carnavalsverenigingen. De laatste periode zit ik veel in de Achterhoek omdat ik daar, op plekken waar ik nog niet eerder ben geweest, mijn oude repertoire kan gebruiken. En wanneer het definitief stopt? Ik denk dat dat moment heel dichtbij is.”

Wanneer het Twents verschraalt,  worden buutreedners ook schaarser

Zelf hoopt Oude Oosterik dat er dan ook weer nieuwe buutreedners op de planken komen. “Je ziet in sommige plaatsen toch vergrijzing op het podium. Aandacht voor de taal is          belangrijk. Wie kent nog de woorden ‘rechtervoart’, ‘op ’n biester’, ‘kons’, ‘telder’ en ‘dooks’? Wanneer het Twents verschraalt,      worden buutreedners ook schaarser. Het is jammer, maar dat is de tand des tijds. Naast de taal is ook de timing van humor belangrijk. Zelf vind ik humor leuk als je er even over moet nadenken. Dan vertel je een ‘bak’ en duurt het even voordat het kwartje valt en ze beginnen te lachen. Ik hoop dat erin geïnvesteerd wordt. Het is goed dat er de laatste jaren aandacht voor is, bijvoorbeeld met de Buutacademie.”

‘Ik tel mijn zegeningen’

Wanneer het moment daar is, dan kan Oude Oosterik met een gerust hart afscheid nemen. “Ik heb hele mooie dingen meegemaakt. Naast buutreedner heb ik ook nog jarenlang presentatiewerk gedaan en gespeeld bij het plaatselijke toneel en in diverse revuegezelschappen. Daarvoor hebben ze mij erelid gemaakt van C.V. De Turftrappers. Een van die revuegemeenschappen was De Gaarvenscheeters uit Geesteren. Dat was een heel mooi concept waarbij drie mensen de muziek verzorgden en twee anderen de sketches deden. Na het winnen van het Twents Buutfestival zijn de kameraden de boel komen versieren en kwamen RTV Oost en andere media hierlangs. Ik laat deze mijlpaal, van veertig jaar als buutreedner, in alle stilte en bescheidenheid passeren, maar ik tel mijn zegeningen”, besluit de buutreedner tevreden. 

Bennie Oude Oosterik als Bets Pikstrik 2.jpg